DE BIRMINGHAM ROLLER.
 

De Birmingham Roller is o.a. één van die variëteiten in de Rollerfamilie, die oorspronkelijk is voortgekomen uit de Oosterse Roller gekruist met diverse Engelse tuimelaars.

 

Want evenals op het vaste land van Europa trok ook in Engeland de Oosterse Roller, daar ingevoerd omstreeks 1875 - 1880 via Hamburg maar ook via ons land, de belangstelling van de Engelse fokkers. Het betrof hier echter niet zo zeer zijn uiterlijke verschijning maar meer om zijn vliegcapaciteiten.

 

 

Zo ontstond er al spoedig een grote vraag naar goede Rollers, welke echter toen nog zeer schaars bleken te zijn, en waardoor het dus extra moeilijk werd om aan alle aanvragen te voldoen.

Maar evenals op het vaste land wist men daar in Engeland ook wel raad op en begon men er maar op los te kruisen met eigen tuimelende rassen, temeer daar de Oosterse Rollers van nature reeds een grote verscheidenheid vertoonden.

Het succes van dit kruisen was niet overal even gunstig, ofschoon er toch ook zeer bruikbare, goed vliegende en goed "rollende" vogels geboren werden. Maar meestal was het een mengeling van alles en nog wat. Geen twee exemplaren naar uiterlijk gelijk, en de grootste afwijkingen in elk opzicht kwamen voor.

 

Maar bij de "rollende" vogels was men echter erg streng en stelde men aan de selectie hoge eisen, en toen men uiteindelijk vogels had gekregen die het rollen tot in de perfectie verstonden, was men weliswaar een flink eind verder, maar toch nog ver verwijderd van wat men zou kunnen noemen: de volbloed "standaard" vogel. Want qua uiterlijk waren ze zowel groot als klein, hoog of laag gesteld, gladbenig of bevederd, éénkleurig of kakelbont, het maakte allemaal niets uit, mits het dier maar uitstekend vloog en rolde in korte, uiterst snelle rollingen en dan nog met een groot enthousiasme en uithoudingsvermogen.

 

Vooral in en om de stad Birmingham was de Rollersport toen erg populair met als gevolg een groot aantal liefhebbers die rollende duiven probeerden te kweken, waaruit in de loop der jaren de Birmingham Roller ontstaan is.

 

Toch moeten wij ons deze vogel nog niet als een naar vaste stan­daard gekweekte vogel voorstellen, integendeel, ook de omstreeks 1900 door honderden kleine handwerkers en arbeiders gefokte Birming­ham Roller was en is nog een mengelmoes van alles en nog wat, sterk uiteenlopend in alle opzichten met andere rassen en met de individuen onderling, echter met één gemeenschappelijke eigenschap: hoog en lang vliegen met formida­bele rollingen, snel, ongelooflijk snel, met geringe dalingen tijdens dat rollen en daarbij gevouwen als een cricket­bal.

 

Het zweven, stilstaan, molendraaien en schroeven zoals wij dat bij de Oosterse Roller kennen, moet men bij de Birminghammer niet zoeken. Het is zelfs ten strengste verboden evenals de lange gerekte rol, eigenlijk meer het tuimelen dat de gewone gladbenige Engelse Tuimelaars veel deden en nog doen, zal bij een Birminghammer niet voorkomen.

 

 

Maar toch gaan de gedachten van de fokkers onbewust uit naar goed gebouwde, vlotte vogels.  Klein, zelfs uiterst klein,  ziet men ze graag, mits stevig, massief gebouwd, kort, met brede borst, diepe buik, iets geholde rug en een smal uitlopend lichaam met een niet te lange staart. Het bekende wig- of appelmodel met horizontaal gedragen, indien mogelijk iets opwaarts gerichte, staart.

 

Het hoofd:    mooi en makkelijk van lijn, snavel recht, vrij krach­tig en goed sluitend.

 

De hals:        kort en krachtig.

 

Het oog :       is van weinig betekenis, hetgeen wel erg vreemd is, daar het hier een vliegvogel betreft.

Parel-rood-oranje, gebalkt, geheel donker, twee verschillende op één individu, het doet er niets toe.

 

De kleur:       van het goedsluitend zachte vederkleed doet er eveneens niets toe.

                        Men ziet allerhande patronen, meestal geheel kakelbont, maar anderzijds ook zeer fraaie diepgekleurde éénkleurigen, witkoppen, gebaarden, geëksterden, witpennen enz. hoewel een correcte tekening zelden aanwezig is. Verder zijn er gladbenige, bekousden en zelfs met zware voetbevedering.

                        In Birmingham zelf had de kleine liefhebber meestal gladbenige terwijl buiten de stad meer met voetbevedering voorkwamen welke geen last van de evolutie gehad hebben, want het is merkwaardig dat men vaak onder deze zwaar bevederde exemplaren vaak de beste rollers aantreft met het grootste uithoudingsvermogen.

                        Nog typischer is het dat de voor het oog minst mooie vogel de beste vlieger in de troep blijkt te zijn.

 

De Birmingham Roller is een troepvlieger, die zijn evoluties hoog in de lucht uitvoert, zich daarbij vaak even terzijde van de groep begeeft, om na zijn spel zich weer aan te sluiten.

 

Vliegduren van 3 - 5 uur zijn geen zeldzaamheid, zelfs bij ongun­stig weer.

 

De vogels worden zeer streng getraind, gevoederd en afgericht, alles volgens bepaalde methoden en vanaf het begin, als de dieren amper 6 weken oud zijn, wordt reeds met de verzorging in verband met de toekomst begonnen.  Zoveel liefhebbers, zoveel systemen en methodes.

 

In het algemeen is de Birmingham Roller een vlotte, gemakkelijke en zeer geharde duif. Intelligent en daardoor zeer leerzaam en een perfecte kweker, die met een minimum aan zorgen zijn snel groeiende jongen opfokt om snel weer aan een nieuw nest te beginnen.  Als fokker moet men een goede kenner zijn met veel vliegervaring met deze dieren om een vogel zo op het oog te kunnen beoordelen, en dan nog maakt men geregeld fouten.

 

Reeds omstreeks 1900 werden in Engeland al regelmatig wedstrij­den gehouden zowel in vliegduur, vlieghoogte als in het rollen van de duiven. De grootste liefhebbers zetelden in Birmingham en directe omgeving en hier en daar een fokker of een groepje daarboven verspreid over het hele eiland.

Buiten Engeland heeft de Birmingham Roller aanhangers gevonden in Australië en vooral in Amerika. Op het vaste land van Europa trof men toen de Birminghammer niet aan.

 

 

Toch heeft men daar ook niet stilgezeten, heeft men eveneens gekruist, doch niet in die mate zoals dat in Engeland gebeurde. De kruisingen ontstonden eveneens uit Oosterse Rollers met diverse Duitse en Oostenrijkse Tuimelaars en vooral in Zuid Europa kweekte men veel van deze vogels. Men noemde ze Bukowiners en ook bij deze vogels was alleen de eigenschap "rollen" alles overheersend en de enige waarde van de vogel.

 

Omstreeks 1908 - 1910 waren ze zeer in trek en deden ze zelfs hun intrek in ons land, waar de liefde voor deze vogel reeds spoedig verdwenen was, omdat men er hier niet mee wist om te gaan, de kunst om de dieren af te richten niet bezat en dus de juiste aardigheid ervan niet begreep.

Ook in Duitsland verdwenen ze weer langzaam aan om plaats te maken en het veld weer aan hun aller stamvader de Oosterse Roller over te laten, eveneens met afwisselend succes en populariteit in de grote uitgebreide wereld der duivenrassen en eveneens met alle mogelijke variëteiten en uiteenlopingen.

 

Maar omstreeks 1940 begon de belangstelling voor deze duif weer te groeien vooral doordat er in Amerika diverse Birmingham Roller Clubs opgericht werden naar aanleiding van het boek "The Birmingham Roller" geschreven door W.H.Pensom. Vandaar dat men ook wel de naam Pensom Roller aantreft.

 

Op 21 december 1987 werd in Nederland ook een eigen Birmingham Roller Club opgericht, nadat enkele leden van de VCN (Vliegroller Club Nederland) in contact gekomen waren met Engelse fokkers en toen "echte" Birminghammers ons land invoerden en volgens Engelse maatstaven daarmee wilden vliegen.

 

De reeds in ons land aanwezige Birmingham Rollers, vanaf toen Continentale Birminghammers genaamd, en vermoedelijk nazaten der Bukowiners, werden er ook in opgenomen en bleken zelfs niet of nauwelijks onder te doen voor, velen waren zelfs beter dan, de zogenaamde "echte"  BIRMINGHAM ROLLER.