De Oosterse Roller.

Geschiedenis:

 

 

 

De  Oosterse Roller behoort om meer dan één reden tot de merkwaardigste roller- en hoogvliegrassen, die wij in de gehele geschiedenis der vliegduivenwereld kennen.

Allereerst wijkt het type der volbloedvogels wel erg af van het gewone vliegduiventype, de gehele houding, de vleugeldracht, lengte en holheid, geven typische verschillen.

De eigenaardige kleurcombinaties en tekening, en niet op de laatste plaats de wijze waarop de Oosterse Roller zijn vliegcapaciteiten demonstreert.

Allemaal eigenschappen die men elders tevergeefs zoekt.


Nu moge het type, de kleur- en tekeningafwijkingen niet zo groot schijnen, het verschil in vliegen tussen wat de Oosterse Roller laat zien en alle andere Rollerrassen, onverschillig van welk ander ras, is wel heel erg groot.

Daarbij komt nog het feit, dat deze Roller twee vliegeigenschappen in zich verenigt, namelijk de kunst van hoog- en lang vliegen en tevens die van tuimelen, draaien en rollen, waar het bij elke vogel op de allereerste plaats om gaat en welk de waarde van de vogel bepaalt.

 

De Roller is tot op heden nog steeds een vlieger, waarbij de uiterlijke vormen pas op de tweede plaats komen, hoewel deze door sommige liefhebbers wel erg ver achteruit gedrukt worden, met als gevolg maar al te veel afwijkingen met de vastgestelde standaardeisen.

De veelvuldige kruisingen met andere rassen in het verleden ondernomen zijn hier vanzelfsprekend niet vreemd aan, temeer daar ook de vogels welke tussen 1870 en 1880 naar Europa werden overgebracht heus niet allen de grootst mogelijke raszuiverheid bezaten.

De individuele verschillen waren soms wel heel erg groot en deze werden door de nakomelingen gemakkelijk overgenomen.

 

Hoewel wij gemakkelijk kunnen nagaan dat de eerste Rollers, waarvan dus onze tegenwoordige Oosterse Rollers afstammen, omstreeks 1870 het vasteland van Europa bereikten, zijn er toch een aantal factoren in andere tuimelaar- en hoogvliegrassen aan te wijzen, die ons zeggen dat lang en zelfs heel lang voor die tijd eveneens Rollers, althans rollende hoogvliegduiven, vanuit het Oosten naar Europa overgebracht moeten zijn geworden, die zich met de toen reeds bestaande rassen hebben vermengd en brokstukken van hun eigenschappen in deze kruisingen hebben achtergelaten.

 

Het is trouwens haast niet aan te nemen, dat bij de vele duiverassen welke onze zeevaarders reeds vanaf 1600 vanuit het Oosten meebrachten op den duur de Roller, zoveel voorkomend in Klein-Azie en achter- land, hieraan steeds zou hebben ontbroken.

 

Eerst de latere importaties hebben de aandacht op het ras gevestigd en de liefhebbers ertoe gebracht meer eenheid en gelijkheid in de vogel te brengen, het als volbloedras te gaan fokken, met als voornaamste eigenschap het hoogvliegen, tuimelen en rollen, en daarnaast eenheid in type en grootte, met kleurvastheid en tekening.

De eerste echte Rollers kwamen in 1870 vanuit Izmir via Tiëst naar Europa, vanwaar ze heel vlug hun weg vonden naar de oude Donaulanden en verder de landen van de Balkan, waar hen een warm onthaal ten deel viel.

 

In latere jaren volgden zendingen via de zee naar Hamburg en het zijn uit deze zendingen, dat ook exemplaren hun weg naar Nederland vonden, hoewel de meesten in het noorden van Duitsland terecht kwamen, anderen weer hun weg naar Westfalen en het Rijnland vonden, waar men ook nu nog verschillende enthousiaste fokkers van Oosterse Rollers kan vinden.

 

Ook in ons land heeft men het ras voortdurend gefokt, zij het dan in beperkte aantallen en slechts door enkele echte volbloedfokkers. De heer P. J. van Olst te Amsterdam als volièrefok, en door Dr. A. Aaltz te Haarlem als vliegfok.

Van beide heren zijn de producten in het buitenland maar al te goed bekend geraakt en meerdere malen zijn prima dieren uitgevoerd geworden ter bloedopfrissing van diverse oude volbloedstammen.

 

Oorspronkelijk waren er feitelijk wel drie of vier variëteiten te onderkennen, die werkelijk aanspraak op de naam ras of variëteit konden doen gelden.

Het waren de Perzische-, de Smyrnasche-, de Cesarische- en de Turks-Aziatische variëteiten, welke slechts in kleine detailpunten verschilden, voornamelijk wat de lichaamslengte betrof.

Voor de Europese hedendaagse Roller zijn in ieder geval alleen de beide eerste soorten van belang geweest.

In latere jaren zelfs voornamelijk alleen de Smyrnasche variëteit.

 

Toch moet men weer niet denken, dat alles wat dan uit Izmir en het achterland kwam aan de hoogste eisen voldeed.

In het begin wel maar spoedig daarna al niet meer, want toen de vraag groter werd verkochten de oosterlingen alles wat rijp en nog groen was, en elk transport herbergde hoe langer hoe minder goede vogels en weldra zag men, na het toenemen der liefhebberij voor deze vreemde vogels, een nog snellere teruggang als gevolg van de vele teleurstellingen die de liefhebbers te verduren kregen.

Het was dan ook niet verwonderlijk dat de grote liefde voor het nieuwe ras ook toen al spoedig verbleekte en velen het weer de rug toekeerden.

 

De volhouders, en zij die de vogels op hun waarde konden onderscheiden, zetten door en vormden de kern der Oosterse Rollerfokkers in Duitsland, dat van de Europese landen wel het voornaamste land was en nog heden is, waar de Roller absoluut vaste voet heeft gekregen en behouden.

 

Vele Rollers werden in Duitsland, sterk geselecteerd, gefokt in betere kwaliteiten dan de doorsnee ingevoerde vogel uit de laatste jaren der vele importaties.

 

De Duitse fokkers hebben ook dit ras met enthousiasme en kennis van zaken systematisch opgebouwd, foklijnen aangegeven, een standaard opgesteld waarbij in geen enkel opzicht de belangrijke eigenschappen van het vliegen verloren zijn gegaan.

Integendeel, zij hebben deze kenmerkende eigenschappen steeds voorop gesteld en waar mogelijk nog zoveel mogelijk verbeterd.

 

Wij kunnen gerust stellen dat de volbloed Oosterse Roller in Duitsland en de Donaulanden een tweede vaderland heeft gevonden, waar het ras tot in de puntjes wordt gefokt en men de knepen er van kent.

Al is het vliegen voor de Oosterse Roller hoofdzaak, toch zullen wij, de gewoonte getrouw, met een volledige rasbeschrijving van de uiterlijke vormen en kenmerken beginnen.

 

 

Rasbeschrijving:

 

De Oosterse Roller wijkt op het eerste gezicht, betreffende de totale indruk, zeer sterk van alle overige duivenrassen af.

Hij lijkt ogenschijnlijk kort maar is toch ook weer betrekkelijk lang, waaraan de holle rug, de opgerichte lange staart en niet te vergeten de brede, volle, zeer fraai geronde borstpartij in niet geringe mate medewerken. Want dat is een der belangrijkste punten, een Roller moet aan alle kanten rond en glad zijn.

Een aantal stroomlijnen, die men zich niet fraaier en natuurlijker denken kan.

 

Aan de lengte van het lichaam moet aandacht worden besteed, omdat hiermede kop-, snavel- en halslengte samenhangen en de Rollers in het algemeen de neiging hebben om korter en ronder te worden.

Rollers uit de Balkan zijn over het algemeen langer en hoger gesteld dan de Duitse en Nederlandse vogels en maken daardoor een vlottere, lossere indruk.

 

Het hoofd:   is goed ontwikkeld, langgestrekt, met tamelijk goed ontwikkeld voorhoofd, voorhoofd en schedellijn vormen een ononderbroken geheel.

Het hoofd is verder aan alle kanten goed afgerond en is steeds glad.

De middellijn van de snavel vormt met het voorhoofd een zeer stompe hoek. Een weinig “stop” dus, hetgeen gaarne gezien wordt, mits heel glad.

De voorkop zal behoorlijk gevuld zijn, zodat snavelkneep zo min mogelijk aanwezig is.

Schedelplatheid of hoekig achterhoofd zijn uit den boze.

De snavelkleur is voor alle variëteiten heel licht, ongeveer vleeskleurig, maar voor donker gekleurde variëteiten is een snaveltip toch toegestaan. De bovensnavel is vaak aan de punt een weinig gebogen

Neusvleugels zijn heel weinig ontwikkeld; ze zijn steeds wit bepoederd, wat langwerpig, en liggen vlak aan.

Midden in het hoofd, vooral niet te hoog, ligt het zuiver witte pareloog met kleine zwarte pupil.

Het is dit witte oog, dat aan deze vogel wat fascinerendst geeft. Toch treft men bij vele vliegrollers maar al te vaak een lichte adering in het oog aan, welke, mits zij niet te sterk domineert en vooral in het lichtrode blijft, niet al te erg aangerekend wordt.

Geheel eenkleurige witte Oosterse Rollers hebben geheel donkere ogen.

Het oog wordt omgeven door een zeer smalle, fijngeronde, gladde oogrand; vleeskleurig voor alle kleurslagen; witroeken echter willen wel eens wat sterker roodgekleurde oogranden tonen.

 

De hals:    is vooral aan de basis heel breed en vol, wordt naar het hoofd toe dunner en zet zich voort tot aan de ondersnavel, zonder dat er een keelwam ontstaat, welke het dier ten zeerste zou ontsieren. Een weinig teruggedrukte hals staat niet slecht en wordt dan ook gaarne gezien vanwege de lijn die het aan de vogel geeft.

 

De borst:   is zeer breed, treedt daardoor sterk naar voren, is vol en diep gerond, en helpt als zodanig mee aan de trotse opgerichte houding.

Bij de diepe volle borst past vanzelfsprekend een diepe, volle, goed geronde buik.

 

De korte rug:   sterk naar achteren toe aflopend, vormt met de opgeheven staart een diepe holte, welke versterkt wordt door de brede schouders.

 

De staart:    is eveneens breed en lang en wordt onder een hoek van 30 á 35 graden opwaarts gedragen, bestaat uit minimaal 14 pennen, welke zeer breed en krachtig zijn, dakpansgewijs op elkaar liggen met enige tussenruimte, waardoor een lichte ronding ontstaat.

Platte stijve, vastaanliggende staartpennen ontsieren een Oosterse Roller, daar de breedte van diens staart toch zeker zijn borstbreedte dient te benaderen.

Bij de Oosterse Roller komen vaak zogenaamde “dubbelpennen” in de staart voor, hetgeen als een teken van grote rasechtheid moet worden beschouwd en dus zeer gaarne wordt gezien.

De dubbelpen komt uit een veerschacht tevoorschijn, is vaak een tikkeltje langer dan de andere staartpennen, terwijl de beide helften enigszins tegen elkaar opstaan, een driehoek vormend.

Toch worden dubbelpennen niet als voorwaarde gesteld.

 

De benen:   zijn middellang, staan midden onder het lichaam en niet te dicht bij elkaar, en zijn onbevederd alhoewel er in zeldzame mate lichtbevederde loopbanen voorkomen hetgeen niet als ernstige fout wordt aangerekend.

 

Het meest opvallende bij de Oosterse Roller zijn de flinke, los van het lichaam gedragen vleugels, met brede krachtige pennen, waarvan de uiteinden onder de staart gedragen worden, benedenwaarts gericht zonder echter de bodem te raken, hetgeen als zeer foutief wordt aangemerkt.

Bij goede staart- en vleugeldracht moet men, van opzij bekeken, het aarsdons nog juist even tussen staart en vleugelpennen kunnen zien. Is dit het geval dan weet men zeker dat de houding in orde is.

 

Wat de kleuren en tekeningen betreft waarin Rollers voorkomen, deze zijn zeer uitgebreid en van de meest uiteenlopende aard. Oorspronkelijk hechtte men weinig waarde aan kleur en tekening.

Men fokte van alles door elkaar, zoals dat ook in het land van herkomst gedaan werd, waar men dan wel aan de resultaten zag of het beviel of niet. Dit was echter niet naar de zin van de Europeesche fokkers die langzaam aan begonnen met orde scheppen in deze chaos en probeerden vaste kleuren en tekeningen te krijgen.

Deels is dit gelukt, deels echter zelfs tot op heden nog niet.

 

De voorbeelden, dat plotseling kleursplitsingen optreden uit koppels waarvan men dacht dat ze fokzuiver waren, doordat ze vele nesten achter elkaar steeds dezelfde gekleurde jongen hadden gegeven, zijn daar nog heden het bewijs van.

Het is met de Oosterse Roller precies hetzelfde als bij de Oosterse Meeuwen, ook hierbij is het mogelijk alle variëteiten door elkaar te kruisen met de best denkbare gevolgen en de grootste verrassingen.

Theoretisch is de kwestie echter opgelost en kunnen we de variëteiten als volgt indelen:

 

 

Eénkleurig:  diep zwart, hoogglanzend met zuiver witte snavel. blauw, meer een vetachtig blauw; blauw-zwart; blauwgehamerd en ook wel leeuwerikkleurig;  dunkleurig; rood; geel en zeldzaam geheel zuiver wit met donkere ogen.

Alle kleuren met veel glans, vooral aan kop, hals en borst.

Meerkleurig:  blauwzwart met zilver gekleurde hals. Een zeer typische variëteit, welke wij ook bij de eveneens uit het Oosten ingevoerde Swifts kennen.  zilverblauwen met roodachtig gekleurde hals en rode banden.

vele witpennen; witstaarten en heel veel bontgekleurden op de meest vreemde wijze getekend.

 

Toch kunnen wij het idee niet van ons afzetten of deze tweekleurigen , met de verbinding wit, wel volbloed Rollers zijn? Wij menen dat deze factor wit erin is gebracht door Europeesche tuimelaarrassen, daar vele bontgekleurde vogels maar al te vaak een afwijkend model tonen. Wij voelen meer voor “echtheid” bij de meerkleurige, indien deze uitdrukking hier op haar plaats is, omdat deze meer overeenkomst vertonen met de Almondtekening zoals wij die eveneens bij Tuimelaars kennen. De grondkleur van deze vogels is mat geelrood, soms iets geler dan weer iets roder, dat varieert heel sterk.

 

De halskleur:  is het krachtigste en hieraan herkent men dan de grondkleur van deze dieren, ze is van een lichte spikkeling voorzien en daarbij zeer hoog metaalglanzend.
 

De spikkeling:  zet zich voort over het hele lichaam en bestaat uit zwart, rood, geel, bruin en zilverkleurige strepen en vlekjes, welke

soms uit drie tot vier verschillende kleuren bestaan. Hoe kleiner nu die vlekjes zijn des te helderder zijn ze van kleur, des te meer steken ze af en des te mooier is de vogel.

Grote plakkaten of strepen ontsieren de vogel.

De voorhals en borst zijn het minst besprenkeld, doch het krachtigst van glans.

 

De slagpennen en de staart:  zijn meestal veel lichter van ondergrond, meer zilvergrauw tot wit met overwegend zwarte, blauwe, ook wel rode, gele of bruine strepen, in geen geval vlekken, dus alles in de lengte van de veer lopend.

Het is juist deze bonttekening die de vogel uitstekend staat.

 

Merkwaardig is dat doffers bijna altijd donkerder zijn dan duivinnen, en dat beide geslachten donkerder van grondkleur en minder rijk getekend geboren worden en eerst na de rui, vaak zelfs eerst na de tweede rui, hun mooiste pakje aankrijgen.

 

Uit een koppel veelkleurige worden echter niet altijd veelkleurige jongen geboren. Integendeel.

Bijna steeds treft men in een nest totaal anders getekende en gekleurde dieren aan en dan meestal nog éénkleurig.

De veelkleurige jongen worden meestal totaal donsloos geboren, doch daarna is het afwachten hoe ze zullen opgroeien en welke kleur ze zullen krijgen. Daarom is het met elkaar paren van veelkleurige

dieren foutief.  Steeds moeten weer éénkleurige van diverse kleuren worden ingekruist.

 

Vooral de zgn. zilvergespikkelde zijn zeer waardevol voor de fok van veelkleurige, in het bijzonder als ze van twee veelkleurige afstammen.

Hoe het echter mogelijk is, dat uit alle mogelijke meer- en veelkleurige combinaties steeds weer heel mooi gekleurde, geheel éénkleurige vogels komen en daaronder zelfs geheel zuiver gekleurde witten, zal wel altijd een geheim van dit typische ras blijven; doch een geheim dat ongetwijfeld zijn grote aantrekkelijkheden heeft voor de echte fokker die van variatie en afwisseling houdt.

Dat deze eigenschap ook voor de vliegliefhebber van grote waarde is laat zich denken.

 

Hoe meer verscheidenheid in een team hoe mooier het is en makkelijker om de duiven individueel te herkennen, ze te volgen en de goede van de minder goede te onderscheiden; want voor alles ligt de waarde van de Oosterse Roller in zijn vliegcapaciteiten en zijn vlieg- techniek, welke een geheel aparte plaats inneemt in de duivenwereld.

 

Een Roller leeft niet en is geen Roller, als hij niet op geregelde tijden de vrijheid krijgt en zich kan uitleven in de lucht. Eerst dan is hij in zijn element.

Men moet echter de liefhebbers van Oosterse Rollers aan het werk hebben gezien, eerst dan kan men zich enigszins een idee vormen van wat deze vogels presteren.

Zelfs “Kitvliegen” is mogelijk alhoewel de Oosterse Roller snel uit de groep dwaalt tot het uitvoeren van al zijn evoluties maar toch om later het troepverband weer op te zoeken.

Trouwens deze punten zijn vaak stameigenschappen en deels oefening.

 

Ook de hoogte waarop de dieren vliegen alsmede de duur van de vluchten, variërend van 1 - 5 uur, zijn geheel verschillend en een kwestie van afstamming, voeding, training en aangeboren eigenschappen van de vogel.

Een goed getrainde groep van 15 - 25 vogels, bestaande uit zowel doffers als duivinnen, zal bij het in vrijheid stellen onmiddellijk naar buiten stormen om in de korstmogelijke tijd, bijna loodrecht stijgend, een aanzienlijke hoogte te bereiken.

Daar aangekomen beginnen de evoluties, waarvan de “loopings” wel de meest eenvoudige zijn en welke vaak 7 - 12 keer achter elkaar worden uitgevoerd; dan houdt de vogel plotseling stil, spreidt de vleugels volkomen vlak uit en blijft staan zoals een grijpvogel dat kan, het zgn. “bidden” , of hij wentelt zich opzij en draait om zijn lengte-as, draait een “molen” om kort daarop, als een bal samengevouwen, in razende snelheid rond te draaien waarbij hij vele meters naar beneden rolt om zich plotseling te bezinnen, zichzelf weer op te vangen en bijna vertikaal stijgend weer naar boven te klauteren en dat met een gemak en een snelheid die bewonderenswaardig is.

 

Alle mogelijke figuren wisselen elkaar af maar dat is verschillend van de ene vogel tot de andere.

De ene is specialist in dit figuur de andere in dat maar juist deze afwisseling is voor de liefhebber van grote waarde.

 

Nemen wij de techniek van het vliegen in ogenschouw, dan blijkt bij het rollen dat de vogel zijn hoofd en staart boven de rug samen brengt. De vleugels slaat hij met grote kracht onder de staart, zover mogelijk naar achteren, kruiselings over elkaar heen, welke beweging hij steeds herhaalt en op deze manier een groot aantal malen achter elkaar, 5 - 10 - en zelfs vaker rondtolt.

Dit is de eenvoudigste beweging die alle Rollers in meer of mindere mate eigen is.

 

Plotseling vangt hij zichzelf weer op door staart en vleugels te spreiden en langzaam om zijn lengte-as te draaien. Er zijn vogels die tijdens het rollen hele stukken vallen, anderen daarentegen blijven vrijwel op dezelfde hoogte.

Zijn de vogels teveel gedaald, dan trachten ze met korte, harde slagen en met korte wendingen de verloren hoogte weer zo spoedig mogelijk te bereiken, ze voegen zich dan weer bij de groep om even later weer opnieuw te beginnen.

 

Het “bidden” is zeer typisch; vooral de overgang vanuit een snelle rol of duikeling tot een bijna volkomen stilstand.

Staart en vleugels gespreid, hals en kop een weinig gestrekt en daar staat de vogel, die nog geen seconde eerder met geweldige snelheid in de rondte draaide.

 

Het “molendraaien” geschiedt veel rustiger en hierbij draait de Roller met uitgespreide vleugels en staart, met gestrekte hals over zijn lengte-as; een merkwaardig gezicht vooral als het op niet al te grote hoogte uitgevoerd wordt.

 

Er kunnen ook momenten in de groep zijn dat er niet gerold wordt, dat alles rustig samen vliegt, in kleine cirkels, rond een denkbeeldig punt. Maar dan plotseling, alsof de bliksem insloeg, begint het lieve leven weer.

 

De beste vliegers zijn de 2 - 3 jarigen, de ouderen zijn vaak iets luier en doen minder hun best.

Ook in het voorjaar, als de doffer zijn duivin drijft, worden de beste staaltjes van kunnen vertoond.

 

De jonge dieren worden eerst onderling getraind tot ze goed hoogte kunnen houden en uithoudingsvermogen krijgen. Ook de omgeving is dan bekend zodat ze hun thuis moeiteloos weten te vinden.

Daarna komen er enkele oudere vliegers in de groep jongelingen, waarvan het aantal regelmatig wordt uitgebreid.

Aan het einde van de zomer zullen de jonge dieren heel goed meekomen en steeds tot grote hoogte opstijgen.

Elke liefhebber heeft zijn eigen manier van africhten, welke de beste is hangt van allerlei omstandigheden af.

Oosterse Rollers mogen het hele jaar naar buiten bij goed helder weer, met zo min mogelijk wind en goed zicht.

Wees bij echte “hoogvliegers” echter steeds bedacht voor plotseling opkomende laaghangende bevolking.

 

Bij toenemende ouderdom wordt het idee van het rollen in de dieren vaak groter en sommige vogels duikelen dan zelfs in het hok als ze van de ene stok op de andere moeten vliegen, of als ze zich buiten op het dak moeten verplaatsen; anderen zelfs al als men ze van de hand af laat wegvliegen.

Doch ook dit alles is individueel.

 

De grondbegrippen over de Oosterse Roller hebben wij u medegedeeld, allerhande afwijkingen leert de liefhebber zelf ontdekken bij zijn eigen dieren waarvan er geen twee, noch uiterlijk, noch innerlijk volkomen aan elkaar gelijk zijn.

 

Deze Rollers zijn zeer kalme, vertrouwelijke dieren, die met een eenvoudige, droge, tochtvrije huisvesting genoegen nemen. Ze zijn zeer verdraagzaam en uiterst vruchtbaar. Met grote zorg kweken ze en brengen ze hun 4 ~ 5 nesten jongen groot, die snel groeien en heel spoedig zelfstandig zijn.

Ze zijn weinig gevoelig en verdragen temperatuursveranderingen heel goed.

 

Een zeer typische merkwaardigheid is de afwezigheid van de stuit- klier, zoals wij die bij alle andere duivenrassen kennen. Bij de Oosterse Roller is dit niet meer meer dan een klein verschrompeld bultje en dat is meestal zelfs nog afwezig.

 

Ook de Oosterse Roller heeft bij zijn verschijning in Europa omstreeks 1875 ook Engeland bereikt en daar evenals elders veel aanhangers gekregen maar ook heel vlug weer velen verloren door de ongelijkheid in zijn capaciteiten en zijn uiterlijk. Wat er van is blijven hangen heeft men al heel spoedig met de Langvoorhoofd Tuimelaar en de meer gewone Tuimelaar gekruist en hieruit is in de loop der jaren de Birmingham Roller ontstaan, die heden ten dage nog heel veel gefokt wordt in Engeland en zelfs een uitstekende reputatie als roller geniet. Volbloed Oosterse Rollers telt Engeland nog maar weinig meer, daarvoor moeten we in Duitsland zijn en zuidelijker in de Balkanstaten en tot ver in Turkije.

 

Een zeer interessant ras, de Oosterse Roller ,  dat alle belangstelling en aanbeveling verdient.